Jump to Navigation

Als rituelen iemands leven bepalen

Er is niets mis met persoonlijke hygiëne nastreven, je huis graag netjes houden, controleren of het gasfornuis uitstaat en of de deur op slot is. Iedereen heeft ook wel enkele persoonlijke ritueeltjes die kunnen helpen bij spannende situaties, zoals wanneer je een examen of een sportmatch tot een goed einde wil brengen.

We spreken pas van een dwangstoornis als het gaat om gedachten:

  • waarvan je beseft dat ze overdreven zijn – een irrationele angst om besmet te worden, de angst dat je huis gaat ontploffen, dat je je kind iets gaat aandoen,
  • waarvan je het gevoel hebt dat ze niet van jezelf zijn, maar je leven overheersen

en als de bijbehorende dwanghandelingen maken dat je geen normaal leven meer kan leiden. Je wast bijvoorbeeld je handen tot bloedens toe en durft niet meer bij andere mensen op bezoek te gaan wegens je smetvrees. Of je wil zo vaak het gasfornuis controleren dat je er niet meer in slaagt het huis uit te gaan.
Dwangstoornissen komen bij ongeveer 2,5 procent van de bevolking voor.

Iemand met een dwangstoornis of OCS (Obsessief-Compulsieve Stoornis) gaat dus gebukt onder dwanggedachten (obsessies) en dwanghandelingen (compulsies):

  • Dwanggedachten zijn méér dan zomaar gedachten die je gedurende langere tijd bezighouden. Het zijn steeds terugkerende gedachten of denkbeelden die akelig en onrustwekkend zijn. Mensen zijn zich er vaak wel van bewust dat ze niet 'echt' zijn, maar toch helpt dit niet om ze tegen te houden. 
  • De enige manier om de dwanggedachten te stoppen lijkt te zijn om bepaalde rituele handelingen uit te voeren. Die dwanghandelingen neemt heel wat van hun tijd in beslag. Als mensen met een dwangstoornis verhinderd worden om hun dwanggedrag te stellen, worden ze ook vaak enorm angstig. Bekende dwanghandelingen zijn was- en poetsdwang, tellen, orde als een antwoord op smetvrees, controledwang, dwanggedachten over geweld of een dwangmatige perfectie of netheid.

Tips

  • Een dwangsstoornis is niet de fout van de persoon zelf. Zadel de persoon niet op met een extra schuldgevoel (bijvoorbeeld door te zeggen: "Je doet het jezelf aan"). Hij/zij heeft een probleem, maar is niet het probleem. 
  • Gewoon tegen iemand met een dwangstoornis zeggen op te houden met wassen of met controleren, zal waarschijnlijk niet helpen. Er komt meer dan wilskracht bij kijken. Mensen met OCS kunnen zomaar niet stoppen met hun dwanghandelingen. Daarvoor is de dwang te sterk, en ook de angst die opkomt wanneer men het ritueel niet kan uitvoeren. 
  • Probeer de cliënt te motiveren tot gespecialiseerde hulp. 
  • Een huisgenoot met een schoonmaak- en poetsdwang zorgt er nogal eens voor dat er minder mensen uitgenodigd worden. Zorg ervoor dat de mantelzorgers niet in een sociaal isolement raken. En probeer ook de cliënt zelf te motiveren nog deel te nemen aan activiteiten buitenshuis.
  • Soms is de persoon zo onzeker dat hij, zelfs als hij zijn rituelen uitvoert, weinig gerustgesteld wordt. Je helpt een persoon met OCS niet door hierin mee te gaan en hem gerust te stellen (bijvoorbeeld het gasvuur in zijn plaats controleren). Op deze manier houdt je ongewild de dwangstoornis mee in stand. 
  • Maak duidelijk waar jouw grenzen liggen. Voel je niet verplicht om mee te gaan in de dwangstoornis (bijvoorbeeld tien keer je handen ontsmetten voor je begint te werken). Maak afspraken en hou je daaraan (bijvoorbeeld: één keer je handen ontsmetten voor je begint te werken). 
  • Een dwangstoornis is een echte energievreter. Probeer hierbij stil te staan wanneer je de persoon als lui ervaart. 
  • Het heeft meestal geen zin te vertellen hoe jij zelf met impulsen omgaat. Zeggen dat jij maar één keer iets controleert en dat het dan ok is, heeft geen zin. 
  • Geef een compliment als er vooruitgang is. Prijzende woorden moedigen juist gedrag aan. Elke stap vooruit - hoe klein ook - is belangrijk. Geringe stappen opgeteld vormen later een grotere stap. 
Koppelingen
Trefwoorden woordenwolk:


Main menu 2

Page | by Dr. Radut