Jump to Navigation

2.2 Hoe menselijk gedrag ontstaat en in stand wordt gehouden

Het uitgangspunt is dat mensen niets doen zonder reden en dat we kunnen leren (op voorwaarde dat we geen hersenbeschadiging hebben). Dat wil zeggen dat we ons gedrag kunnen aanpassen (veranderen). Denk maar eens hoe je je thuis gedraagt en hoe je je gedraagt op een bruiloft. Niemand doet iets zonder reden, of je nu psychische problemen hebt of niet. Alleen is die reden niet steeds duidelijk of zijn we er ons zelf niet altijd van bewust. Gedrag (B) is een reactie op iets. Vooraleer we iets (niet) doen, gaat er iets aan vooraf: een gebeurtenis, een situatie (A). Bijvoorbeeld: je zit thuis of je bent uitgenodigd op een bruiloft. De situatie (A) bepaalt welk gedrag (B) we stellen. Thuis trek je makkelijke kleren aan, eet je voor TV, laat je de afwas staan,… Op een bruiloft willen we er net uitzien: kledij, kapsel,…            Geen denken aan dat we die oude jeans aandoen op een feest.

Dus elk gedrag is een zinvolle reactie op een zinvolle situatie. Nu kan je je afvragen hoe het komt dat we voor een bepaald gedrag kiezen en niet voor een ander gedrag. Hoe hebben we ooit geleerd dat je je moet opkleden om naar een feest te gaan? Door datgene wat op dat gedrag volgt (C).

Dat levert ons het volgend schema op:

 
 

A (situatie)    B (gedrag)  → C (datgene wat erop volgt)

 

Stel: de eerste keer dat je op een huwelijksfeest (A) was, droeg je een oude jeans (B1). Mensen rondom jou bekeken je en vonden het ongepast. Hierdoor voelde je je niet goed (C1). Op een volgend feest droeg je elegante kledij (B2) waardoor je veel complimentjes kreeg en je je goed voelde (C2).

Je wil je uiteraard goed voelen en je hebt dus geleerd je gedrag aan te passen.

Nu we weten dat gedrag kan aangepast worden in functie van wat er aan voorafgaat en wat er op volgt, kunnen we dit trachten toe te passen in de praktijk. Onthoud wel dat het niet de bedoeling is therapie aan te bieden.

Bijvoorbeeld:
Een cliënt vertelt steeds hetzelfde negatieve verhaal (B) aan jou (A), wat je ervaart als zeer stresserend (C).

Je kan hier verschillende dingen mee doen:

  1. Je luistert telkens opnieuw naar het verhaal zodat de cliënt leert dat hij steeds bij jou terecht kan met datzelfde negatieve verhaal.
  2. Je luistert af en toe eens naar het verhaal van de cliënt: dit zal tot gevolg hebben dat hij voortdurend zal proberen zijn verhaal bij jou kwijt te kunnen. Dit is een methode die zeer nadelig is, want de cliënt zal niet snel geneigd zijn om zijn gedrag te veranderen.
  3. Je benoemt respectvol dat je niet met hem wil praten over dat onderwerp, maar dat je wel graag met hem praat over andere dingen. Als hij over andere dingen praat, ga je er onmiddellijk bijzitten en luister je zeer geïnteresseerd. Zo bekrachtig je positief het gewenste gedrag bij de cliënt. Begint de cliënt echter het bekende negatieve verhaal te vertellen, dan luister je niet en ga je verder met de taken waarmee je bezig was. Hou dit vol en gaandeweg zal de cliënt leren om zijn gedrag aan te passen bij jou.


Main menu 2

Page | by Dr. Radut