Jump to Navigation

2. Complex gedrag

Als we in de cursus praten over complex gedrag is het van belang dat we even stilstaan bij wat gedrag is, hoe gedrag ontstaat, hoe het in stand wordt gehouden en hoe je omgaat met complex gedrag.

 

2.1 Wat is gedrag?

Gedrag bestaat uit waarneembare handelingen (direct waarneembaar voor anderen en jezelf), niet-waarneembare handelingen (innerlijk gedrag) en/of onbewuste (reflexmatige) handelingen.

1. Waarneembare handelingen kunnen we observeren. We zien waar iemand anders mee bezig is: stofzuigen, pannenkoeken bakken, fietsen, slapen, vechten, … .

2. Naast uiterlijk waarneembaar gedrag bestaat er ook innerlijk gedrag. Dit kunnen we niet zomaar observeren bij anderen. Innerlijk gedrag is bijvoorbeeld een emotie (boosheid, schaamte, schuld), dromen, denken, … .

3. Er bestaan ook onbewuste handelingen. Dit noemen we ook wel reflexen. Een reflex is een automatisch gestuurde handeling die we niet bewust aansturen. Bijvoorbeeld het sluiten van de ogen als je niest of de manier waarop je reageert als je een ernstig auto-ongeluk ziet (bellen naar hulpdiensten, verstijven, panikeren, …).

Veel gedragingen hebben een erfelijke basis. Erfelijke factoren bepalen vaak het uiterlijk en het lichamelijk functioneren van een mens. Ze bepalen ook in bepaalde mate eigenschappen als intelligentie, koppigheid, creativiteit enzovoort.

Het gedrag wordt, naast de genen, ook beïnvloed door allerlei omgevingsfactoren: sociale, culturele, spirituele, fysische, psychische en fysieke factoren. Zo zijn wij, Europeanen, eerder geneigd somber te zijn, zwart te dragen, te treuren als we een dierbare verliezen. Sommige culturen dansen rond de overledene omdat deze is overgegaan naar een betere en mooiere wereld. Zo zie je maar dat gedrag ook bepaald wordt door omgevingsfactoren.

Al vele jaren is er een discussie gaande over de relatie tussen erfelijkheid en de omgeving waarin je je bevindt (het milieu). Toch is dit een moeilijk gegeven, want wat kunnen we nu precies door middel van erfelijkheid doorgeven? Kan schizofrenie doorgegeven worden van vader op zoon? Of crimineel gedrag? Je zou dan zeggen dat mensen letterlijk als crimineel geboren worden en dat hun hele leven blijven. Gelukkig is dit niet correct: de omgeving oefent ook invloed uit. Maar hoe ontstaat gedrag? Wat maakt dat gedrag verandert of net niet?

 

2.2 Hoe menselijk gedrag ontstaat en in stand wordt gehouden

Het uitgangspunt is dat mensen niets doen zonder reden en dat we kunnen leren (op voorwaarde dat we geen hersenbeschadiging hebben). Dat wil zeggen dat we ons gedrag kunnen aanpassen (veranderen). Denk maar eens hoe je je thuis gedraagt en hoe je je gedraagt op een bruiloft. Niemand doet iets zonder reden, of je nu psychische problemen hebt of niet. Alleen is die reden niet steeds duidelijk of zijn we er ons zelf niet altijd van bewust. Gedrag (B) is een reactie op iets. Vooraleer we iets (niet) doen, gaat er iets aan vooraf: een gebeurtenis, een situatie (A). Bijvoorbeeld: je zit thuis of je bent uitgenodigd op een bruiloft. De situatie (A) bepaalt welk gedrag (B) we stellen. Thuis trek je makkelijke kleren aan, eet je voor TV, laat je de afwas staan, … . Op een bruiloft willen we er net uitzien: ons kledij, ons kapsel, … . Geen denken aan dat we die oude jeans aandoen op een feest.

Dus elk gedrag is een zinvolle reactie op een zinvolle situatie. Nu kan je je afvragen hoe het komt dat we voor een bepaald gedrag kiezen en niet voor een ander gedrag. Hoe hebben we ooit geleerd dat je je moet opkleden om naar een feest te gaan? Door datgene wat op dat gedrag volgt (C).

Dat levert ons het volgend schema op:

 
 

A (situatie)    B (gedrag)  → C (datgene wat erop volgt)

 

Stel: de eerste keer dat je op een huwelijksfeest (A) was, droeg je een oude jeans (B1). Mensen rondom jou bekeken je en vonden het ongepast. Hierdoor voelde je je niet goed (C1). Op een volgend feest droeg je elegante kledij(B2) waardoor je veel complimentjes kreeg en je je goed voelde (C2).

Je wil je uiteraard goed voelen en je hebt dus geleerd je gedrag aan te passen.

 

Nu we weten dat gedrag kan aangepast worden in functie van wat er aan voorafgaat en wat er op volgt, kunnen we dit trachten toe te passen in de praktijk. Onthoud wel dat het niet de bedoeling is therapie aan te bieden.   

Bijvoorbeeld:
Een cliënt vertelt steeds hetzelfde negatieve verhaal (B) aan jou (A), wat je ervaart als zeer stresserend (C).

Je kan hier verschillende dingen mee doen:

  1. Je luistert telkens opnieuw naar het verhaal zodat de cliënt leert dat hij steeds bij jou terecht kan met datzelfde negatieve verhaal.

 

  1. Je luistert af en toe eens naar het verhaal van de cliënt: dit zal tot gevolg hebben dat hij voortdurend zal proberen zijn verhaal bij jou kwijt te kunnen. Dit is een methode die zeer nadelig is, want de cliënt zal niet snel geneigd zijn om zijn gedrag te veranderen.

 

  1. Je benoemt respectvol dat je niet met hem wil praten over dat onderwerp, maar dat je wel graag met hem praat over andere dingen. Als hij over andere dingen praat, ga je er onmiddellijk bijzitten en luister je zeer geïnteresseerd. Zo bekrachtig je positief, gewenst gedrag bij de cliënt. Begint de cliënt echter het bekende negatieve verhaal te vertellen, dan luister je niet en ga je verder met de taken waarmee je bezig was. Hou dit vol en gaandeweg zal de cliënt leren om zijn gedrag aan te passen bij jou.

 

2.3  Grensoverschrijdend gedrag

Er wordt van grensoverschrijdend gedrag gesproken wanneer er sprake is van bejegening zonder respect voor de ander, waarbij de lichamelijke en/of geestelijke integriteit wordt geschonden. Meest gekende voorbeelden zijn (verbaal) agressief gedrag of seksueel getinte handelingen. Grensoverschrijdend gedrag bouwt zich meestal geleidelijk aan op.

Hieronder staan enkele tips om hiermee om te gaan:

  • Probeer grensoverschrijdend gedrag te voorkomen door tijdig te reageren. Wacht niet tot het grensoverschrijdend gedrag te ver gevorderd is.
  • Maak duidelijk wat de gevolgen zijn bij grensoverschrijdingen. Zo maak je duidelijk wat de cliënt te verliezen heeft bij escalatie.
  • Ga niet in op provocaties.
  • Spreek de cliënt aan met zijn naam.
  • Neem zelf een respectvolle houding aan, zonder al te veel afstand.
  • Let op een juiste houding en op de intonatie van je stem.
  • Neem een time-out.
  • Tracht rustig te blijven. Haal rustig adem. Zorg dat je stevig staat met je voeten plat op de grond.
  • Keer de ander de rug niet toe. Houd oogcontact zonder de ander frontaal aan te kijken.
  • Blijf goed om je heen kijken en in je opnemen wat er gebeurt.
  • Zorg dat je altijd weg kan, bijvoorbeeld door dicht bij een deur te blijven. Als je gaat zitten, ga dan zo zitten dat je gemakkelijk weg kan.
  • Verlaat het pand indien nodig. Vervolgens verwittig je je leidinggevende en overleg je of je de politie of andere hulpdiensten dient te bellen.

 

2.4  Assertiviteit

Het overkomt ons allemaal wel eens dat we ons door anderen laten doen, dat we niet opkomen voor onze mening, rechten of gevoelens terwijl we dat eigenlijk wel zouden willen. Toch is het belangrijk voor je eigenwaarde dat je assertief kunt zijn. Zeker als verzorgende: je werkt voortdurend samen met andere mensen. Je moet in bepaalde situaties je mening, wensen, belangen, rechten en grenzen duidelijk kunnen maken aan anderen.

Assertiviteit betekent: kunnen opkomen voor jezelf (je ideeën, rechten, gevoelens) zonder de ander en jezelf (nodeloos) te kwetsen en dit terwijl je rekening houdt met de situatie. Uit de definitie kan je reeds opmaken dat je rekening houdt met jezelf en met de ander wanneer je assertief wil zijn. Assertiviteit vereist ook dat je rekening houdt met de situatie. Zo kan het voorvallen  dat je geen zin hebt om te strijken, maar dit toch doet omdat iemand op een bepaald moment echt hulp nodig heeft: anders heeft die niets om aan te doen. Zo kan je er in bepaalde situaties voor kiezen om je mening niet te zeggen omdat de omstandigheden abnormaal zijn en geen andere mogelijkheid laten. Bovendien kan je niet in elke situatie zomaar zeggen wat je wel en niet wenst te doen omwille van verplichtingen.

 

2.4.1        Het verschil tussen assertieve, agressieve en subassertieve communicatie

Aan de hand van de assertiviteitsdriehoek kan het onderscheid tussen deze drie gedragingen duidelijk worden.

 

                       IK
         

     ANDER                  SITUATIE

  • Je reageert assertief wanneer je voor jezelf opkomt, zonder de ander of jezelf te kwetsen en rekening houdend met de situatie. Dit leidt tot onderhandelen.
  • Je reageert subassertief, wanneer je niet voor jezelf opkomt, of wanneer je voor jezelf opkomt op een niet-effectieve manier. Dit leidt tot onvrede.
  • Je reageert agressief, wanneer je voor jezelf opkomt, maar hierbij geen rekening houdt met de ander. Dit leidt tot ruzie.

 

Volgende geheugensteuntjes kunnen bijdragen om assertief te reageren:

  • Ik mag voor mijn mening en gevoelens opkomen.
  • Ik mag van mening veranderen.
  • Ik mag fouten maken.
  • Ik mag dingen weigeren.
  • Het is niet nodig dat iedereen mij aardig vindt.
  • Ik hoef me niet schuldig te voelen als ik voor mezelf opkom.

Als je de test in bijlage invult, kan je een indicatie krijgen van de manier waarop je overwegend grenzen stelt.

 

2.4.2        Assertiviteit is een keuze

Het is niet de bedoeling om altijd en overal assertief te zijn. Het is goed mogelijk dat je er in een aantal situaties voor kiest om niet voor je eigen belangen op te komen. Het is echter belangrijk dat je assertief kan zijn als je dat wil en als het nodig is. Het is belangrijk dat je de keuze hebt om te reageren zoals je zelf wil. Assertiviteit vereist een goede zelfexpressie: zowel verbaal als non-verbaal.

 

Tips om assertiviteit verbaal te uiten:

Ga eerst na wat je precies wil zeggen. Bijvoorbeeld: wat doet dit met mij?

  • Via ik-boodschappen kan je aangeven wat je van iets vindt of hoe je je erbij voelt, zonder bedreigend of agressief over te komen.
    Bijvoorbeeld: ik heb het gevoel dat … , ik heb het er lastig mee dat … .
  • Laat ruimte voor overleg.
  • Verantwoord jezelf niet teveel, laat je niet verleiden tot zijwegen of eindeloze verklaringen.
  • Vermijd woorden als “liever niet, excuseer, sorry, ...”.
  • Formuleer klaar, duidelijk en ondubbelzinnig wat je wil overbrengen.
  • Geef niet te snel op. Herhaal je boodschap als het nodig is.

 

Tips om assertiviteit non-verbaal te uiten:
 

  • Kies een goed moment om je gedachten en gevoelens te uiten. Dat wil zeggen: niet wanneer iemand heel prikkelbaar of moe is of wanneer je zelf heel boos bent, enz.
  • Wanneer je assertief wil reageren, moet je non-verbaal rustig, ontspannen, vriendelijk en zelfzeker overkomen. Verzorg je lichaamshouding, gelaatsuitdrukking, bewegingen, ademhaling, stemgebruik en je oogcontact. Bijvoorbeeld: kijk de ander aan zonder te staren, praat duidelijk verstaanbaar, zorg voor een stevige rechte houding, … . Wees je bewust van je lichaamstaal, bewegingen, gebaren en de effecten ervan op anderen.
  • Zorg ervoor dat je verbale en je non-verbale boodschappen overeenstemmen. Een ernstige boodschap breng je niet al lachend want dan ontkracht je meteen wat je zegt.
  • Laat je geen schuldgevoel aanpraten.

 

OEFENING:

Geef enkele voorbeelden van subassertief gedrag:

 

Hoe kan je in deze situatie(s) op een assertieve manier grenzen stellen?

 

 

 



Main menu 2

Page | by Dr. Radut